CAST
Feldmarschallin Renée Fleming
Octavian Sophie Koch
Sophie Diana Damrau
Baron Ochs Franz Hawlata
Faninal Franz Grundheber
Ein Sänger Jonas Kaufmann
Marianne Leitmetzerin Irmgard
Vilsmaier
Valzacchi Wolfgang Ablinger-
Sperrhacke
Annina Jane Henschel
Muzikale leiding
Christian Thielemann
Regie Herbert Wernicke
Decors Herbert Wernicke
Kostuums Herbert Wernicke
Video Brian Large
MÜNCHNER PHILHARMONIKER
DAS OPERNGLAS
Die Krone gebührte Diana Damrau, die mit frei flutendem Koloratursopran das pure Strauss-Glück vom Himmel zu holen schien. Ihr gelang einfach alles und auch im Spiel vermochte sie rundum zu überzeugen. Sinnlicher, inniger und ausdrucksstärker kann man die Sophie derzeit nicht besetzen.
Sophie Koch gelang mit wunderbar ausgeglichenem, höhensicher und bruchlos geführtem Mezzo als Octavian die eigentiche Überraschung des Abends, und die frisch von den Obama-Feiern aus den USA eingeflogene und umjubelte Renée Fleming sorgte für Glanz und ein Quäntchen Glamour. Sie hat die Marschallin über viele Jahre ruhen lassen, hatte die Partie aber noch mit dem zwischenzeitlich verstorbenen Regisseur Herbert Wernicke selbst bei der ersten Reprise seiner jetzt nach Baden-Baden geholten Salzburger Inszenierung in Paris einstudiert. Die kühle Eleganz der auf das Festspieljahr 1995 zurückgehenden Inszenierung verfehlte in der soliden Reanimation durch Alejandro Stadler ihre Wirkung nicht.
Die Stimme der Fleming hat sich seitdem weiter entwickelt. Sie präsentiert sich inzwischen "wissender", differenziert im Vortrag weit stärker als zuvor. Ihr Sopran verfügt dafür über mehr Farben, hat an Grundierung zugelegt. Allerdings büßt sie an Strahlkraft und Tragfähigkeit gleichzeitiug ein wenig ein. Mit diesem Potenzial gelang ihr ein betont melancholisch geprägtes Rollenbild, musikalisch und gestalterisch mit vielen wunderbaren Momenten, die für sich sprachen.
Der furiose Einsteig in die aufwühlende, eruptive Liebesnacht - selten hörte man ihn so viril und klangstark. Die Überreichung der silbernen Rose in innig strahlenden Sphärenklängen von berückender Schönheit- ganz dem Glanz des augenblicks verplichtet. Das Schlussterzett schliesslich, samten grundiert - unprätentiös in den Dienst der vereinten Luxusstimmen gestellt.
OPERNWELT
Wie Fleming etwa im ersten Aufzug die Melancholie einer reifen Frau verströmt, die an der Liebe (ver-)zweifelt, wie sie, in betörendem Pianissimo, die Wehmutstöne einer Aristokratin trifft, die das Ende ihrer Zeit spürt, all das zeugt von grossartig differenzierender Gestaltungskraft.
Und wenn Fleming im bis zum zweigestrichenen G hinaufsteigenden Monolog der Marschallin über die Zeit und die Vergänglichkeit "die Uhren stehen" lässt, dann stockt einem der Atem, so tief ist sie hier in die verschattete Seele der Figur eingetaucht.
Der Tränenzauber dieser Stelle steckt freilich auch in den gläsernen, unwiklich irisierenden Tönen der Harfen und Celesta, die das innehalten der sich ihrer Einsamkeit bewusst werdenden Fürstin begeleiten. Die Münchner Philharmoniker spielen dieses Detail mit bewundernswert filigranem raffinement, noch die scheinbar unwichtigste Tongirlande wird bei ihnen zu anrührender Poesie.
Diana Damrau gibt eine souverän zwischen Aufbegehren, Hingabe und Gehabe changierende Sophie, selbst in den Höchstlagen der Partie klingen die Linien klar, anmutig, wie mit dem Silberstift gezeichnet.
Sophie Koch ist ein Octavian von raumgreifenden Format, herb, energetisch, androgyn in Timbre und Erscheinung.
KLASSIEK CENTRAAL
Lees de recensie van
Lucrèce Maeckelbergh
SYNOPSIS
EERSTE BEDRIJF. Slaapkamer van de maarschalksvrouw.
Terwijl de veldmaarschalk in de Kroatische wouden op jacht is, amuseert zijn echtgenote zich met Octavian, de jonge graaf Rofrano. Het gemeenschappelijke ontbijt, waarbij Octavian in dweperig-vurige bewoordingen de geneugten van de voorbije liefdesnacht beschrijft, wordt verstoord door lawaai uit de aangrenzende kleedkamer. Eerst vreest zij dat haar man onverwachts is teruggekeerd, maar dan herkent zij al snel de stem van haar lawaaierige neef, baron Ochs auf Lerchenau. Die stormt ongevraagd de kamer binnen en Octavian heeft nog net de tijd om zich als Mariandel, een kamermeisje, te verkleden. Ochs heeft plannen voor een - voor hem financieel zeer interessant - huwelijk met Sophie, de dochter van de nieuwrijke legerleverancier Faninal. Terwijl zijn aandacht voortdurend afgeleid wordt door her mooie "kamermeisje" - dat hij uiteindelijk met duidelijke bedoelingen wil aanwerven voor zijn toekomstige echtgenote - vraagt hij de maarschalksvrouw hem een jonge edelman te zoeken die naar een oud gebruik zijn bruid voor de verloving een zilveren roos zal brengen. In een spontane opwelling stelt de maarschalksvrouw Octavian voor als huwelijksbemiddelaar. Ochs is verbaasd over de verbluffende gelijkenis tussen "Mariandel" en een medaillon met de beeltenis van Octavian. Het begin van de ceremonie van het ochtendtoilet van de maarschalksvrouw geeft Octavian eindelijk de kans om de slaapkamer te verlaten. Tijdens de pittoreske scène met onder meer een hoedenmaakster, de kapper van de maarschalksvrouw, een weduwe met drie wezen en een Italiaanse tenor die een aria zingt, bespreekt Ochs met de notaris van de maarschalksvrouw zijn visie op een nieuw soort huwelijkscontract, dat hem een compleet landgoed (ooit eigendom van zijn familie) als bruidsschat moet opleveren. Wanneer de meningsverschillen over de juridische principes hoog oplopen, is het ochtendlijk ceremonieel plots ten einde. Bij het buitengaan geeft baron Ochs het intrigantenpaar Annina en Valzacchi de opdracht om Mariandel te bespioneren, en overhandigt hij de maarschalksvrouw de zilveren roos voor Sophie. Alleen achtergebleven, piekert de maarschalksvrouw over het ouder worden. Zelfs Octavian, die teruggekomen is, slaagt er niet in haar op te vrolijken. Integendeel, in haar weemoedige gedachten over het vervliegen van de tijd voorspelt zij de verontwaardigde Octavian dat hij haar spoedig voor een jongere vrouw zal verlaten. Zonder zelfs maar een kus laat zij haar minnaar gaan en stuurt hem de kleine zwarte page na met de zilveren roos, die hij de volgende dag aan Sophie moet overhandigen.
TWEEDE BEDRIJF. Zaal bij Faninal.
Terwijl de fiere vader van de bruid zich haast om de bruidegom af te halen, piekert Sophie naïef-bescheiden over het huwelijk en haar toekomstige familiale plichten. Dan verschijnt Octavian als "Rosenkavalier". Sophie is bij het zien van de jonge graaf meteen in hogere sferen en ook Octavian kan zijn verwarring over zoveel schoonheid nauwelijks verbergen. Dit poëtische moment staat in schril contrast met de aankomst van Ochs. Met enige moeite, maar met grote standvastigheid verweert Sophie zich tegen de lompe opdringerigheid van de baron. Terwijl Ochs en Faninal in het aanpalende vertrek de formaliteiten van her huwelijkscontract bespreken, belooft Sophie aan de pijnlijk getroffen en jaloerse Octavian dat zij nooit met Ochs zal trouwen. Een kus bezegelt de ontluikende liefde tussen de twee jongelui. Annina en Valzacchi, die de hele scène gezien hebben, slaan echter alarm en roepen Ochs erbij. Op de aankondiging van Octavian dat er van een verloving met Sophie geen sprake kan zijn, reageert Ochs eerst gelaten en aan de uitdaging tot een duel tracht hij te ontsnappen door met Sophie de zaal te verlaten. Wanneer hij echter toch verplicht is de degen te trekken tegen de heethoofdige Octavian, wordt hij meteen door diens floret aan de arm gewond. Terwijl allen zich bekommeren om de theatraal weeklagende Ochs en terwijl Faninal de weerspannige Sophie met levenslange opsluiting in het klooster bedreigt als zij niet met Ochs trouwt, zit het gevolg van Ochs wild achter het personeel van Faninal aan. Octavian maakt van een gunstig ogenblik gebruik om ongestoord het huis te verlaten. Pas na een stevige slok wijn wordt Ochs weer beter geluimd, en als Annina hem een briefje van een zekere Mariandel brengt met het verzoek om een afspraakje, is zijn stemming weer opperbest.
DERDE BEDRIJF. Een chambre séparée in een herberg.
Octavian is weer als Mariandel verkleed en controleert de zorgvuldige voorbereiding van de platvloerse maskerade die in de herberg moet plaatsvinden: Annina is verkleed als treurende weduwe, Valzacchi geeft aanwijzingen aan vijf verdacht uitziende subjecten die zich moeten verbergen onder de vloer, achter deuren en boven bet bed. Verder worden er voorbereidingen getroffen voor een elegant souper, waarbij Ochs Mariandel wil verleiden. Maar bij zijn eerste toenaderingspogingen schrikt hij terug door de frappante gelijkenis tussen het "meisje" en zijn rivaal Octavian. De overal in de kamer opduikende gezichten en hoofden brengen hem compleet in de war en als dan ook nog Annina op hem afstormt als verlaten weduwe met vier blèrende kinderen die naar hun "papa" vragen, roept hij in de hoogste nood om de politie. De commissaris onderwerpt Ochs echter aan een verhoor, waarbij deze Mariandel voor zijn bruid laat doorgaan om niet van zedenfeiten beschuldigd te worden. Dan verschijnen Faninal en Sophie, door Octavian heimelijk uitgenodigd, om Ochs als leugenaar te ontmaskeren en uit de compromitterende scène bet enige juiste besluit te trekken. Her publieke schandaal voor de familie Faninal is nu compleet, en Sophie zal niet met Ochs trouwen. Terwijl de in onmacht gevallen Faninal in een zijkamer door Sophie verzorgd wordt, tracht Ochs zich door een huwelijksbelofte aan Mariandel uit de pijnlijke situatie te redden. Octavian brengt de commissaris op de hoogte van een geheim en trekt dan achter het bedgordijn zijn meisjeskleren uit, die de commissaris geamuseerd stuk voor stuk opvangt. Als Octavian in zijn ware gedaante de alkoof wil verlaten om een einde te maken aan de maskerade, verschijnt onverwachts de (door een lakei van Lerchenau ter hulp geroepen) maarschalksvrouw, die Ochs op niet mis te verstane wijze duidelijk maakt dat het spel en daarmee zijn trouwplan voorbij is. Op de huid gezeten door alle bedienden, die hun loon opeisen, stormt Ochs weg. Octavian en Sophie blijven achter met een beklemd gevoel, waarvan de maarschalksvrouw hen verlost door vol begrip afstand te doen van Octavian en hem de weg te wijzen naar zijn toekomstige bruid. Terwijl de maarschalksvrouw filosofeert over de vergankelijkheid van de liefde en het weinig genuanceerde geluksgevoel van de mannen, bekennen Sophie en Octavian elkaar hun liefde. Nu de maarschalksvrouw en Faninal het geluk van bet jonge paar geaccepteerd hebben, voelen Sophie en Octavian zich als in een droom. Hand in hand lopen zij naar buiten, waarbij Sofie haar zakdoekje verliest. De kleine, zwarte page komt het zoeken en vindt het.